achter ongebruikte
matten griend
wuift riet gebogen door de noordenwind
zuidwaarts
met de morgenzon in mijn gezicht
die fel het polderland belicht
een wolkeloze de vlakte toont
waar land uit water wordt gekloond
recht toe recht aan
begrenst de dijk
de vlakte, nog vermomd als slijk
waarin rokende machines tonen
dat er ooit mensen zullen wonen
en voor me tussen
plas en riet
wel duizend witte zwanen
die zich in t nog dras gebied
gevleugeld koning wanen


